Het verhaal van Noa

Het Vijgenmeisje

Er waren eens hier niet zo ver vandaan een vader en een moeder met drie kinderen.

Terwijl de kinderen speelden en groeiden, de sneeuw begon te smelten en de groene blaadjes van de krokussen en sneeuwklokjes voorzichtig hun puntjes boven de vochtige aarde staken, ontdekte de moeder dat er een vierde kindje groeide in haar buik. De moeder was heel gelukkig, vader maakte het kleine wiegje voor het kindje en de kinderen wachtte vol verwachting op hun nieuwe broertje of zusje.

Toen de bomen roze waren, het gras felgroen en de lammetjes door de weide danste voelde de moeder dat het kindje niet lang kon blijven. Toen het kleine meisje geboren was begroeven de vader, de moeder en de drie kinderen haar onder de vijgenboom op het veld voor het kleine huisje.

Vanaf die tijd woonde verdriet bij het gezin in het kleine huisje. Het bedje was leeg en in moeders lied klonk een melodie van verlangen.

Het werd zomer en herfst, winter en weer lente een jaar was voorbij.

De vijgenboom groeide. Hij werd hoger en steviger. Aan sommige takken kwamen kleine vijgjes.

Het werd herfst en de wind kwam. Aan de kale takken van de vijgenboom hielden de kleine vijgjes zich stevig vast.

Onder de warme lentezon zwollen de vijgen en kleurden ze mooi groen met paars.

Eén vijg was groter en boller dan de andere vijgen. De kinderen die vaak kwamen kijken naar het groeien van de vijgen konden het zachte, zoete vijgenvlees al bijna proeven.

Ook de moeder zat soms bij de vijgenboom dan dacht ze aan haar kleine meisje dat sliep tussen de wortels van de boom.

Toen de zomer kwam en de zon haar hoogste punt had bereikt plukte de oudste zoon de grootste vijg en gaf hem aan zijn vader.

Binnen wachtte de kinderen geduldig totdat vader de vijg openbrak. Vader legde de twee helften op tafel en zijn ogen werden groot. Tussen het plakkerige roze vruchtvlees lag een klein meisje te slapen. Met haar benen opgetrokken, lag ze met haar kleine hoofdje dat omringt werd door plakkerige haartjes, op een kussentje van vruchtvlees. Haar wimpers lagen als kleine veertjes op haar roze wangen. Moeder veegde wat van het vruchtvlees weg toen de zonnestralen haar kleine gezichtje bereikte opende ze haar ogen. Ze ging langzaam rechtop zitten in haar vijgenbedje en een stralende lach liet haar wangen nog meer blozen en in haar ogen verscheen de zon.

Ze was lief, heel lief en klein. Ze groeide niet en bleef zo groot als een handpalm.

De zomer was lang, warm en fijn. De vader, de moeder en de vier kinderen speelden, bouwden en vierden de zomer. Het kleine meisje bracht de zon mee in haar lach, in haar ogen en in haar koperen haar. Haar lopen leek op dansen en haar praten een vrolijk lied.

Ze vertelde verhalen over levende stenen, wilde bruisende rivieren en dromerige regenbuien. Ze vertelde over de gouden sterren en de zilveren maan. Over velden van kleuren en bomen zo hoog, dat je vanaf daar de hemel kon zien.

Toen kwam de herfst die de wind en de regen meebracht. De kinderen speelden verhalen en dromen in de hutten op de houtzolder gemaakt van wollen dekens en gekleurde lakens. Buiten waaiden de rode en gele bladeren hun afscheidsdans voordat ze neervielen op de vochtige aarde.

De winter was het fijnst want toen maakte moeder speculaas en rook het naar dennennaald en. De warme vlammetjes van de kaarsen maakten schaduwen op de muren en het plafond. Maar het meisje bracht het meeste licht. Haar ogen straalden en haar haren gloeiden Ze vertelde en vertelde soms begon haar verhaal al terwijl ze nog in bed lagen en eindigde het wanneer vader het laatste licht uit blies.  

Toen de tweede lente begon en de verwachting in de knoppen op springen stond veranderde er iets. Het dansen verdween uit het lopen van het meisje en iets treurigs vervlocht zich met de woorden die haar verhalen maakten. Haar zingen klonk als het lied van de merel die het licht van de dag vaarwel zong. De zon ging onder in haar ogen en de herfst verscheen in haar haar.

Wanneer ze dacht dat niemand haar zag keek ze met vochtige ogen verlangend naar de zon. In haar lach weerklonk de echo van een afscheid.

Toen de laatste dag van de lente aanbrak vroeg het meisje of de vader haar hoog in de vijgenboom wilde zetten. Waar ze de vorige lente als een eekhoorntje zelf over de takken danste en sprong was ze nu moe en zo zwak dat zelfs de onderste tak te hoog voor haar was.

Zittend in de hand van haar vader keek ze haar broers en haar zus aan. Over haar wangen stroomden druppels stil verdriet.

Haar moeder gaf haar een kus op haar kleine hoofdje en haar vader hield haar vast en keek naar haar met ogen die nooit meer wilden vergeten.

Toen ze hoog in de vijgenboom zat kwam de zwaluw. Hij viel uit de lucht, scheerde langs de gezichten van de kinderen en zweefden naar het blad. Omdat de zon laag aan de hemel stond zagen ze alleen een zwarte schaduw de zon in vliegen en verdwijnen in de gouden gloed.

Het meisje was niet meer bij hen maar haar verhalen waren voor altijd. Toen de volgende lente een jongetje geboren werd vertelde zijn zus en broers hem elke dag een verhaal. Ze hadden genoeg voor heel zijn leven.